Vijftig jaar, het duurde maar even…
En ik dacht nog wel aan eeuwig leven!
Vroeger droomde ik van zoveel dingen.
Er was niets aan te doen, ik kon het niet bedwingen.
Tien kinderen wilde ik met mijn hartedief.
Nu zijn ze zelf volwassen en wat heb ik ze lief.
Elkeen is anders, ieder op zijn manier;
de één is ver weg, de ander steeds hier.
Dus leven heeft zoveel gebracht
en dat had eigenlijk niemand verwacht:
rijkdom, roem, geluk en nog veel meer,
en dan denk ik soms toch wel: Och Heer!
Deel 2
Later gaan we rijstpap eten
en wou je nog meer weten?
Het wordt heel gezellig met elkaar -
dat vind je toch niet raar?
Wie wat zal doen vind je hier,
en wat een ander er van denkt, dat interesseert me geen zier!
Jeroen, die blijft natuurlijk gedichten schrijven
het ene mooie woord aan het andere rijgen;
Goedele gaat voor de oude mensen zorgen
zonder te moeten piekeren over waar ze heengaan, morgen.
Korneel blijft voor eeuwig de plaaggeest spelen
en dat wordt gezellig, want in 't paradijs zijn we met velen.
Egmont? Die krijgt zeeën van tijd.
Geloof je 't niet? Het is een feit!
Aldegonde gaat in mozaïeken doen.
Maar, neen - niet voor de poen!
En dan is er nog Bastiaan,
die denkt vast: zou hier geen computer staan?
Triene-mie schrijft een nieuwe roman
die nooit afgeraakt..hm! En dan?
Hannes zet met Sinte Piet een handeltje op.
Nee, heus, dit is geen mop!
Servaas en al die engeltjes…wat wordt dat?
Hihi, in de hemel zijn er natuurlijk zat!
Adriaan , die blijft toneel spelen
en voor altijd mooie liedjes kelen.
En last but not least: Kobus zal op ons staan wachten
en dat wordt nog mooier dan we dachten.
Ja, mijn lief en ik gaan ons vermaken,
dat kunnen we toch niet laten.
De prachtige beelden van Begga gaan de hemel sieren.
En ik? Ik ga alle dagen vieren
dat ik hier geen spuitjes meer moet geven
voor het verwerven van het eeuwig leven.
Triene-mie 2004
op het feest van de vijftigste huwelijksverjaardag van moeke en vake
-----------
Nu volgt een gedicht van onze zoon Korneel Le Compte, die dat gedicht dichtte over het houten beeldhouwwerk van zijn moeke, Begga D'Haese, toen hij nog héél jong was:
Ontworteld en gestorven in een land
van benevelde tropengeur
waar iedere tint van aardekleur
diep in het hout belandt.
Afzelia, Bubinga, Amarant:
hun namen zijn exotisch suggestief.
En reeds als klank zijn ze me lief,
als waren ze voor altijd
in mijn geest gebrand.
Hun hout verwordt tot tafelblad of deur,
tot rook en vuur, of soms tot brief.
En dan voelt men zich soms een dief,
of minstens debiteur.
Dan geeft men iets terug als onderpand
voor 't beuren van dit materiaal:
een melodie de muzikant,
de schrijver een verhaal.
De beeldhouwster heeft meer verstand.
Zij heeft doorheen de boom
het bos gezien, en in haar droom
heeft zij het woud
weer aangeplant.
Korneel